Ik was de weg kwijt. Op weg naar huis had ik ergens een afslag gemist en opeens reed ik op onbekend terrein. Ik ken deze route toch goed en normaal gezien rij ik automatisch naar huis. Vandaag niet. Nadat ik de navigatie had ingeschakeld die me weer de juiste kant op wees kon ik voelen hoe ik ook van binnen op onbekend terrein was.

 

In de afgelopen weken daagde mij een besef over de plek die ik heb ingenomen in mijn familiesysteem. In alle jaren dat ik bezig ben met familieopstellinen en systemisch werk doe ik verwoede pogingen om mijn hoofd te buigen en ‘de juiste plek’* in te nemen ten opzichte van mijn moeder. Hoe graag ik het ook wil, hoe diep ik ook buig, van binnen blijf ik me altijd de grotere voelen. Waarom lukt het me toch maar niet? Ik voel hoeveel het me kost om deze strijd te leveren.

 

Tot ik opnieuw iemand hoorde vertellen over parentificatie; het fenomeen waarbij een kind zich gevoelsmatig boven de ouders stelt. Ik wist wel dat ik dat deed, maar ik had eigenlijk nooit helemaal de vinger er op kunnen leggen waaróm ik dat deed. Lang heb ik gedacht dat het was omdat mijn moeder vroeger veel weg was. Maar nee, een kind handelt niet uit rancune. Kinderen handelen vanuit liefde voor het (familie)systeem waar ze deel van uitmaken. Deze week werd parentificatie mij opnieuw uitgelegd; een kind dat de plek van de grootouders inneemt en daarmee een leegte achter de vader of moeder probeert op te vullen. Het besef brengt me rillingen over mijn hele lijf. Wat een liefde moet ik gevoeld hebben voor mijn moeder dat ik achter haar ben gaan staan. ‘Kom maar mama. Ik weet dat je verdrietig bent om wat je bij jouw moeder hebt gemist. Ik zal groot en sterk zijn zodat je op mij kunt steunen’. Het pijnlijke is dat het natuurlijk nooit gelukt is om die pijn bij mijn moeder weg te nemen, al geloof je als kind heilig dat je dit kan. Maar door achter mijn moeder te gaan staan heb ik ook mezelf belet om haar liefde voor mij te ontvangen. 

 

Sinds dit besef zie ik regelmatig een beeld voor me van een klein meisje dat op een hoge trap is geklommen en achter haar moeder staat. Op de bovenste trede zodat ze boven mama uitkomt. Tegen dat meisje zeg ik nu: ‘Kom maar naar beneden lieverd, kom maar hier bij mij staan, met mama achter je. Dat is jouw plek’. Het meisje klimt van de trap af en komt bij me zitten, dicht tegen me aangekropen.

 

Maar nadat het kleine meisje van de trap af is gekomen en niet meer bezig hoeft te zijn met mama ondersteunen merk ik dat ik vertwijfeld, onrustig en doelloos mijn dagen doorbreng. Ik vraag mezelf continue af of ik niet iets móet doen. Iets voor werk, of iets anders. Maar nee, er hoeft niks. Kennelijk ben ik zo gewend aan de taak om achter mijn moeder te gaan staan, dat ik me even helemaal onthand voel als dat niet meer hoeft. 

Op dit onbekende terrein begeef ik me nu, zonder bestemming, zonder navigatie. Ik hoop dat het me lukt om hier een tijdje ontspannen en doelloos rond te dwalen. 

 

*Als je meer wilt lezen over systemisch werk en de plek die jij inneemt dan is De Fontein van Els van Steijn een aanrader.

AFSLAG GEMIST